Naast dat de advocaten van Spoor & Hoekman Advocaten met regelmaat door de Rechtbank Overijssel worden aangesteld als curator in faillissementen, staan zij ook bestuurders bij die door een curator worden aangesproken op grond van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling ex artikel 2:248 lid 1 BW.
Op 22 oktober 2018 werd een cliënt zowel privé als zijn holding gedagvaard door de curator voor het volledige boedeltekort van een failliete werkmaatschappij. De curator heeft in de eerste plaats de wettelijke bewijsvermoedens van artikel 2:248 lid 2 BW aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. In de tweede plaats legt de curator kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW aan zijn vorderingen ten grondslag.
Op grond van de wet is in geval van faillissement iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Uitgangspunt is dat de stelplicht en bewijslast ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de curator rusten.
Mr. E. Nijhoff heeft namens de bestuurder inhoudelijk verweer gevoerd en bij vonnis d.d. 14 augustus 2019 is de bestuurder in het gelijk gesteld en zijn alle vorderingen van de curator afgewezen.
In algemene zin geldt dat van onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:248 BW slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder -onder dezelfde omstandigheden- aldus gehandeld zou hebben (HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053). Blijkens de wetsgeschiedenis is hierbij meer in het bijzonder gedacht aan handelen of nalaten dat als schuldige verwaarlozing van de bestuurstaak kan worden aangemerkt en is niet bedoeld de bestuurders een verwijt te maken van fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen in het zakelijke vlak van feiten en omstandigheden die voor het bepalen van het bestuursbeleid van belang zijn. Met andere woorden: het feit dat iemand misschien (achteraf gezien) een slechte ondernemer is, maakt niet dat er direct sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling in de zin van de wet.
Ten aanzien van de administratieplicht merkt de Rechtbank Overijssel terecht op dat de administratie van een rechtspersoon moet worden gevoerd naar de eisen die voortvloeien uit de werkzaamheden van die rechtspersoon, hetgeen meebrengt dat de inrichting van de administratie niet voor iedere rechtspersoon aan dezelfde eisen zal hoeven te voldoen. De eisen hangen mede af van de aard en opzet alsmede de organisatie van de onderneming van de rechtspersoon en haar werkzaamheden (Hof Leeuwarden 3 april 2012, ECLI:GHLEE:2012:BW0725).Het feit dat het in deze casus een kleine onderneming betrof, maakt dat een enkele omissie in de boekhouding niet leidt tot een schending van de administratieplicht.
Vanzelfsprekend was de bestuurder blij met het feit dat de Rechtbank Overijssel de vorderingen van de curator heeft afgewezen, maar het is wel zuur dat de proceskostenveroordeling ten bedrage van ruim € 4.000,00 wordt aangemerkt als een concurrente boedelvordering, welke vorderingen in de meeste gevallen bij beëindiging van het faillissement niet kunnen worden voldaan.