De Hoge Raad geeft richtlijnen voor het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding in het kader van de Wet werk en zekerheid (WWZ)
Op 30 juni 2017 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over een zaak waarin de kantonrechter en het Gerechtshof een kapster, die na 28 jaar dienstverband door de nieuwe bestuurders en aandeelhouders werd ontslagen, naast een transitievergoeding van € 1.596,00 bruto een billijke vergoeding van € 4.000,00 bruto hadden toegekend. Bij het vaststellen van de omvang van de billijke vergoeding zouden de kantonrechter en het Gerechtshof onvoldoende acht hebben geslagen op al haar persoonlijke belangen, aldus de kapster. Daartoe heeft de Hoge Raad het navolgende overwogen.
Het recht op een billijke vergoeding
De rechter kan aan een werknemer in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding toekennen. Dit is, onder andere, het geval als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarnaast ontstaat de aanspraak op een billijke vergoeding indien de werkgever in verband met het einde van de arbeidsovereenkomst een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De aanspraak op de billijke vergoeding bestaat naast een eventuele aanspraak op de transitievergoeding.
Het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding
De rechter dient de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij dienen aldus ook de duur van het dienstverband, het ten onrechte niet genoten loon en de kans op een nieuwe baan te worden betrokken.
Daarnaast verzet het stelsel van de WWZ zich er niet tegen dat met de gevolgen van het ontslag rekening wordt gehouden bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding. Zodoende kan immers ook worden tegengegaan dat werkgevers voor een vernietigbare opzegging kiezen omdat dit voor hen voordeliger is dan het op de juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan.
Daarentegen heeft de wetgever aan de billijke vergoeding niet een specifiek punitief karakter willen toekennen, zodat daarmee bij het vaststellen van de omvang van de billijke vergoeding geen rekening dient te worden gehouden, aldus de Hoge Raad.
De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in alle omstandigheden die tot de beslissing over de omvang van de billijke vergoeding hebben geleid.
Resumé
De Hoge Raad heeft aldus geoordeeld dat bij de bepaling van de omvang van de billijke vergoeding het aan komt op alle omstandigheden van het geval. Daarmee heeft de Hoge Raad de ontslagvergoeding, zoals die door de inwerkingtreding van de WWZ is ontstaan, (gedeeltelijk) ongedaan gemaakt: de persoonlijke omstandigheden van de werknemer tellen in principe toch (weer) mee!
Heeft u vragen over wat deze uitspraak voor uw situatie kan betekenen? Neemt u dan contact op met één van de advocaten van Spoor & Hoekman c.s.