0546 - 54 35 20

info@spoorhoekman.nl

Retentierecht

Indien enige betaling van de opdrachtgever uitblijft, heeft de aannemer een sterke troef in handen om zijn rechten tot het vorderen van nakoming (inhoudende betaling) veilig te stellen: het retentierecht. Wanneer de aannemer haar retentierecht uitoefent, leidt dat ertoe dat de aannemer haar verplichting tot afgifte van de zaak aan de opdrachtgever opschort totdat de opdrachtgever de vordering van de aannemer heeft voldaan. Oftewel: de aannemer kan het werk onder zich houden in afwachting van betaling door de opdrachtgever, zodat het uitoefenen van het retentierecht verregaande consequenties kan hebben. Hierbij is het dan ook evident dat de aannemer zorgvuldig te werk gaat en voldoet aan de criteria.

Het criterium is (logischerwijs) dat de aannemer de feitelijke macht over het werk moet hebben, omdat zonder de feitelijke macht geen opschorting van afgifte van de zaak kan plaatsvinden. De aannemer dient dan ook houder te zijn van de zaak. Daarbij komt dat de verkrijging van de feitelijke macht over de zaak een normaal gevolg moet zijn van de uitvoering van de (koop-/)aannemingsovereenkomst, zodat de feitelijke macht niet door de aannemer zelf mag worden gecreëerd met uitsluitend doel om op de zaak een retentierecht uit te oefenen. Of er sprake is van het hebben van feitelijke macht over een zaak, moet worden beoordeeld aan de hand van de wet en de uiterlijke omstandigheden van het concrete geval. Bij een onroerende zaak is het van evident belang dat de opdrachtgever (schuldenaar) geen toegang tot het werk heeft, aangezien de feitelijke macht dan niet bij de aannemer berust. In de praktijk ontzegt de aannemer de opdrachtgever en anderen veelal de toegang tot het werk door de bouwplaats met hekken te omheinen en af te sluiten. Indien de aannemer vervolgens toch de opdrachtgever of derden tot het werk toelaat, keert de zaak terug in de macht van de opdrachtgever (schuldenaar), zodat de aannemer het risico loopt dat haar retentierecht teniet gaat.

Voorts is het van evident belang dat de aannemer de uitoefening van het retentierecht op een bepaalde zaak voldoende kenbaar maakt voor derden, zodat het retentierecht (onder bepaalde voorwaarden) ook kan worden ingeroepen tegen derden met een jonger recht op de zaak en zelfs tegen derden met een ouder recht op de zaak (zoals de hypotheekhouder). In de praktijk plaatst de aannemer veelal op het werk een zichtbaar bord met daarop de mededeling dat de betreffende aannemer ter plaatse haar retentierecht op het werk uitoefent. De achtergrond van dit kenbaarheidsvereiste is dat een retentierecht naar zijn aard niet kenbaar is uit de openbare registers, zoals het Kadaster. Een aannemer die op een juiste wijze een retentierecht uitoefent, kan haar vordering verhalen met voorrang boven allen tegen wie het retentierecht kan worden ingeroepen, zodat de kans op voldoening van de vordering in toenemende mate is gewaarborgd.

Ook een onderaannemer kan onder omstandigheden een retentierecht uitoefenen op het werk, wat een vreemde situatie voor de opdrachtgever kan opleveren. Hoewel de onderaannemer geen contractuele relatie met de opdrachtgever heeft en de opdrachtgever dus geen betaling aan de onderaannemer verschuldigd is, kan de onderaannemer toch op basis van haar vordering op de hoofdaannemer een retentierecht uitoefenen op de zaak welke in eigendom toebehoort aan de opdrachtgever. De opdrachtgever kan zich in een dergelijk geval wel verhalen op de hoofdaannemer, maar die zal veelal geen verhaal bieden aangezien het uitblijven van diens betaling juist aanleiding is voor de uitoefening van het retentierecht door de onderaannemer. Een vaak voorkomend probleem voor de onderaannemer is wel dat deze veelal niet de feitelijke macht over het bouwwerk zal hebben.

Ook in faillissement geeft het retentierecht een (onder)aannemer een sterke positie, nu zij niet teniet gaat door het faillissement van de schuldenaar aan wie de zaak waarop het retentierecht wordt uitgeoefend toebehoort.

Mr. E. (Erik) Nijhoff

Erik is geboren en getogen in Almelo. Tijdens zijn studie aan de HEAO (MER) is Erik Nijhoff al in dienst getreden als juridisch medewerker. Erik is in 2007 afgestudeerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen en in december van dat jaar is Erik als advocaat beëdigd. Erik voert een algemene praktijk, met bijzondere aandacht voor vastgoed- & bouwrecht, handels- & ondernemingsrecht en faillissementsrecht. Hij behandelt zaken voor zowel particulieren als ondernemers.
Online juridische balie
Heeft u vragen, of wilt u vrijblijvend advies?
Klik op de link hiernaast voor meer informatie