Het deugdelijk en tijdig opleveren van het (bouw)werk is één van de hoofdverplichtingen van de aannemer. Het enkel afmaken van het werk leidt in beginsel niet tot oplevering, omdat de opdrachtgever het ook als zodanig moet aanvaarden. Dit betekent dat vanaf het moment dat de aannemer de opdrachtgever mededeelt dat het werk klaar is, de opdrachtgever binnen een redelijke termijn het werk moet inspecteren, keuren en aanvaarden, al dan niet onder voorbehoud van het nog herstellen van geconstateerde gebreken. De eventuele op- en/of aanmerkingen over het werk worden in het proces verbaal van oplevering genoteerd en door partijen ondertekend. De aannemer zal de geconstateerde gebreken vervolgens op korte termijn moeten herstellen. Indien de opdrachtgever dit nalaat en dus niet binnen een redelijke termijn het werk keurt en aanvaardt, wordt hij geacht stilzwijgend te hebben aanvaard. Indien de aannemer niet tijdig oplevert, wordt een boete verbeurd. De hoogte van die boete is veelal contractueel overeengekomen of blijkt uit de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden.
Oplevering heeft tot gevolg dat de aannemer is ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever ten tijde van de oplevering redelijkerwijze had moeten constateren, zodat na oplevering het werk voor risico van de opdrachtgever komt. Op de opdrachtgever rust derhalve een onderzoeksplicht. Dit houdt in dat behalve de fouten en onvolkomenheden die tijdens de oplevering zijn gemeld, de aannemer gebreken in het werk die pas na de oplevering worden gemeld niet (kosteloos) hoeft te herstellen. Er bestaat echter één uitzondering op deze regel, namelijk ‘de verborgen gebreken’. Na oplevering is de aannemer namelijk nog wel aansprakelijk voor een gebrek dat aan hem is toe te rekenen en dat bovendien ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering of bij de opneming van het werk redelijkerwijs niet door de directie of opdrachtgever had kunnen worden ontdekt. Het verborgen gebrek dient daarbij wel binnen een redelijke termijn na ontdekking van het gebrek of nadat zij redelijkerwijze ontdekt had moeten worden aan aannemer te zijn gemeld, bij gebreke waarvan de aansprakelijkheid komt te vervallen (de zogenaamde klachtplicht). Hierdoor wordt de opdrachtgever gedwongen om rekening te houden met de redelijke belangen van de aannemer. Immers, de kans dat het gebrek verergert wordt groter naarmate de opdrachtgever langer wacht met het aanspreken van de aannemer en de bewijspositie van de aannemer lastiger. De opdrachtgever dient in beginsel de aannemer de gelegenheid te bieden om de na de oplevering geconstateerde gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen. Dit is alleen anders indien er omstandigheden aanwezig zijn welke met zich meebrengen dat herstel door de aannemer van de opdrachtgever niet kan worden gevergd.